INLEVERING VAN RADIO'S

Op 13 mei vaardigde Rauter het bevel uit tot inlevering van alle radiotoestellen. Rauter was chef van de S.S. In Nederland. Onderzijn verantwoordelijkheid vielen alle besluiten, die genomen waren om de april-mei staking te breken.

Vanaf 1940 was het al verboden naar de Engelse zenders te luisteren. Dit verbod werd zeer slecht nageleefd. De verbeurdverklaring van de radiotoestellen had ten doel te bereiken, wat met het luisterverbod niet was gelukt, namelijk het uitschakelen van de invloed van de geallieerde zenders.
Maar ook deze maatregel oogstte maar een beperkt resultaat, omdat een aantal mensen zich van de inleveringsplicht niets aantrokken en anderen in plaats van het bij hen in gebruik zijnde toestel een afgedankt apparaat inleverden. De niet ingeleverde radio's bleven meestal in gebruik, zij het op zolder of in de kelder of ergens anders, waar men kon luisteren zonder door vreemden te worden gestoord. Er werd zowel door de Nederlandse politie als door de S.S. contrôle  uitgeoefend op het bezit van radio's  en hier en daar heeft dit tot vervelende gevolgen geleid. In Diessen is één keer 'n uitgebreide controle gehouden. Huis aanhuis werd bezocht, gecontroleerd op radiotoestellen en of er personen aanwezig waren, die voor te werkstelling in aanmerking kwamen. Gelukkig waren het soldaten van de Wehrmacht en die namen 't niet zo nauw. Ze wierpen een blik in elk vertrek en als ze niks bijzonders zagen was 't al in orde. Toen ze met de kom klaar waren werden ze teruggeroepen.

De ingeleverde toestellen werden opgeslagen in de raadskamer van 't gemeentehuis. Die had toch geen bestemming meer sinds de Duitsers de gemeenteraad hadden opgeheven. De vaste kern van de luchtbeschermingdienst hield in het gemeentehuis de wacht, als het gemeentepersoneel vertrokken was. Ze bewaakten ook de radio's en werden hierin na enige tijd bijgestaan door 'n marechaussee.
Na enkele weken werden de radio's opgehaald. Of er in Diessen iemand na de oorlog zijn toestel terug heeft gekregen is mij niet bekend.

‘Diessen 1940-1945’ door Toon van Nieuwkuijk

Oud-Diessenaar Toon van Nieuwkuijk (geb. Diessen 1920 - overl. Bergeijk 2007) schreef in 1980 en 1981 in het plaatselijke Diessense blad Deusone tweewekelijks zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in een reeks van 28 artikelen onder de titel ‘Diessen 1940-1945’. Bij het 15-jarig bestaan van Deusone werden de artikelen gebundeld en in een kleine oplage verkocht. In 1995 vormde de serie de basis van het Diessense oorlogsboek ‘In bange en in blije dagen’. Onderstaand treft u het originele verhaal van Toon van Nieuwkuijk, zoals het in Deusone stond. Toon van Nieuwkuijk werd algemeen in Diessen gezien als de centrale figuur in het lokale verzet. In zijn eigen verslag blijft zijn rol echter onderbelicht. Hij laat zich er niet uitgebreid over uit, maar uit zijn verhaal is wel op te maken dat hij verantwoordelijk moet zijn geweest voor de plaatsing van tientallen onderduikers in Diessense gezinnen.
Het geschiedenisboek van het klooster geeft van het gevecht het volgende verslag.

“Alles ging goed, tot over drieën, toen plotseling een salvo der Duitsers klonk, dat onmiddellijk door de Fransen van alle zijden werd beantwoord. Doordat er uit de toren geschoten werd, en de Duitsers gehoord hadden, dat wij de Fransen in huis te eten hadden, werden kerk en klooster geducht onder vuur genomen. Het H. Sacrament werd bij het eerste schot weggezet, en we gingen de kelder in. Toen wij in de keuken kwamen, waardoor onze weg naar de kelder leidde, zagen wij al hoe vreselijk de kerktoren beschoten werd, en dat er rookwolken uit de ramen van het priesterkoor kwamen. Angstige ogenblikken brachten wij in de kelder door. Van alle kanten knalden de schoten, ratelden de mitrailleurs, vielen het puin,scherven, glas, krakend en knetterend neer. Iedereen dacht dat zijn laatste uur geslagen was. Biddend ontvingen wij de Generale Absolutie en gaven ons vol vertrouwen aan den Goeden God over. Ondertussen waren de eerste stoottroepen door de tuin van de pastorie, de schutting omverwerpend, bij de achterzijde van de kapel gekomen, die juist altijd op slot is. Doch, dat was geen bezwaar voor hen, in een ogenblik was die kapot, en toen werden er granaten door naar binnen gegooid, die spattend en knetterend hun vernielende werk verrichten. De kogels vlogen weg en weer, en vervulden de daar aanwezige zusters met schrik en angst. Maar toch O.L. Heer waakte over de zijnen,ofschoon er 10 zusters in de bidkamer lagen, en de kogels over hun hoofd door de muren vlogen; 5 van de grote spiegelruiten der glazen deur rinkelend links en rechts vlogen de granaatscherven talrijke gaten in plafonds en glazen deuren, enz. sloegen, geen enkele zieke had enig letsel. Drie zusters, Zr. Adrienne, Zr Angela en Zr. Antoinetta zijn door een granaatscherf en kogel licht gewond geweest.
Wat was het gelukkig, dat daar zieken lagen. Want woedend kwamen ze binnen in de veronderstelling, dat het huis vol Fransen zat. “Eruit, eruit, vluchten, vluchten”, riepen ze dan ook de verschrikte zusters toe. “Het klooster moet met de grond gelijk gemaakt worden, hier zijn de Fransen in huis”. Maar toen de zusters zeiden, dat wij geen enkele Fransman gezien hadden, dat het een huis was voor oude en zieke zusters, kwam hun medelijdend hart voor den dag. “Och kranke Zwesters, hadden we dat geweten, de Fuehrer wil niet, dat wij op kerken en kloosters schieten”.
De aanvoerder gaf een teken en heel ordelijk ging de troep heen. Ook de Duitse militaire dokter, die naar de gewonde zusters kwam kijken, was zeer correct en hoffelijk.

Die Pinksterdagen '40! Ons huis een ruïne, rond de kapel een en al glasscherven, puin en bloed! Wat 'n droevige aanblik en een materiële schade. Geen licht, geen kracht, geen water en dat in zo'n groot huis met zoveel! Maar toch klopte ieders hart van grote dankbaarheid jegens de Goede God, die ons toch zo zichtbaar voor groter ongeluk bewaard had. Wij konden nog in ons geliefd St. Theresia blijven, we hadden nog een dak, al was het met grote gaten erin, boven ons hoofd en doden hadden wij niet te betreuren. Als we bij de rondgang door ons huis bemerkten op hoeveel verschillende plaatsen eigenlijk brand had moeten ontstaan, steeg menig dankgebed ten hemel”.

Wij hadden geen kelder. We mochten schuilen in de kelder van de pastorie. Die was erg groot. We troffen daar nog verschillende andere gezinnen uit de buurt. Later ben ik naar Trien Wal gegaan om Anneke en Trien niet alleen te laten zitten. Daar zaten we ook in de kelder. Die lag op het westen. Dat was dus niet de opmarsrichting van de Duitsers. Geleidelijk aan hoorden we het schieten dichterbij komen. Mitrailleurkogels rikketikten al van voor naar achter tegen de muur, rinkelden ruiten kapot. Op zeker ogenblik kwamen er 4 in Franse kleren gestoken benen langs het kelderraamke. 'n Paar minuten later stormden de Duitsers binnen. Gehaast doorzochten ze het hele huis, trokken de kelderdeur open en sommeerden ons onder bedreiging van hun wapens naar boven te komen. Daarvoor hadden we niet veel tijd nodig. Ik vergeet nooit de angst in de ogen van deze jonge soldaten. Ze waren zo weg. Doorzochten kennelijk elk huis. Daarna werd het schieten gauw minder en hield na enige tijd helemaal op.

Erg haastig waren we niet om de straat op te gaan, al waren we benieuwd genoeg. Op verschillende plaatsen was brand. Dat konden we zo al zien. We hoorden al gauw, dat Lies en Marie Menhere, de dochters van de klompenmaker,dood waren. Ze schuilden in het huis van Mineke van Wezel, (de weduwvrouw de Brouwer -van Wezel) maar lieten zich verleiden door een gootraamke in de richting Beekseweg te kijken. Op datzelfde moment kwam er een kogel (of salvo?) doorheen van Fransen of Duitsers, dat weten we niet. Alle 3 geraakt en wel zo erg, dat beide jonge vrouwen kort naderhand dood waren en Mineke 's anderdaags stierf. In den boomgaard naast het huis vonden we naderhand 3 gesneuvelde Fransen.
Er brandden 4 boerderijen, van Janus Heuvelmans in de Rijt, van Kiske Jansen en van Janus Kroot aan weerszijden van de Beerseweg nabij de stroom en van Jan van Rijthoven op 't Laar richting Hoekske. Bij de laatste stond een Franse tank opgesteld. Dat zal een doelwit zijn geweest. Verder was er veel glas- en kogelschade aan huizen en vooral aan 't klooster. En de kerk en de toren niet te vergeten. In het priesterkoor waren 3 gebrandschilderde ramen vernield, die gebeurtenissen over het leven van St. Willibrord uitbeelden. Tevens was er een gat in het plafond geslaan en een stuk van de communiebank versplinterd. In de toren waren een paar grote gaten in de muur geschoten aan het begin van het dak. 'n Paar balken, die 't dakstutten werden versplinterd. Dat drong allemaal maar geleidelijk tot ons door, omdat onze aandacht voornamelijk werd op geëist door de Duitsers, die het hele dorp overstroomden. 't Krioelde er van! Op straat, op 't erf, in de tuin, in huis: overal moffen. De burgers, die 's middags in de omtrek een haastig heenkomen hadden gezocht vonden bij hun thuiskomst alles in wanorde. Het hele huis was doorsnuffeld, veel vernield of, wat waarde had, meegenomen.
NA DE STAKING

Na het verlopen van de stakingen kwam de uitvoering van de verordeningen aan de orde. De verordening betreffende de arbeidsaanmelding hield in, dat alle mannelijke personen tussen 18 en 35 jaar zich moesten laten registreren op het dichtstbijzijnde arbeidsbureau. Het doel was tewerkstelling in Duitsland om de produktie van wapens en ander materieel op gang te houden en als het kon nog op te voeren.
Om de gezamenlijke weerstand tegen deze registratie te breken werden vrijstellingen beloofd voor bepaalde groepen b.v. voor mensen die een taak hadden in de voedselvoorziening.
Ieder, die voor vrijstelling in aanmerking kwam, kreeg op een daartoe ingediend verzoek een “Ausweis”. Toen dit bekend werd begon er een ware run op ausweissen, alsof dit geen aanmelding was. Maar dat was het natuurlijk wel. Door een verzoek in te dienen speelde men de vijand een volledige naar beroepen gesorteerde registratie van de beschikbare arbeidskrachten in handen. In de ondergrondse pers werd op dit gevaar gewezen. Men bezwoer allen één lijn te trekken, maar tevergeefs. We misten de moed om het persoonlijk risico te nemen, dat er zeker aan verbonden was.

Voor de boeren was 't al heel makkelijk om een ausweis te krijgen. Ze werden door de Plaatselijke Bureauhouders van de Organisatie voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd ingevuld en na accoordbevinding bekrachtigde de boerenleider ze met zijn handtekening. Zo kreeg die ook nog eens wat te doen. Zodra de gelegenheid  tot afhalen was trokken de boeren met hun personeel naar de plaatselijke bureauhouder, de meer ontwikkelde invloedrijke personen voorop.

De gewezen militairen werden evenals de arbeiders in jaarklassen opgeroepen.
Ook hier hadden beloofde vrijstellingen verdeeldheid gezaaid. Slechts enkelen hadden de moed de oproeping te negeren. Achteraf bleken deze 't beste af te zijn, want gegevens op naam had de vijand niet ter beschikking. Voor hen was 't gevaar te worden teruggevoerd in krijgsgevangenschap voorbij. Van de 300.000 in aanmerking komende gewezen militairen werden er slechts 11.000 opnieuw geïnterneerd. Daar was geen enkele Diessenaar bij.

Er zijn tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in Duitsland of in door Duitsland bezette gebieden b.v. in Frankrijk tewerk gesteld. Daar waren wel een paar Diessenaren bij, die dat echter goed hadden kunnen voorkomen, als ze dat zelf gewild hadden.

Ik heb al een paar keer opgemerkt, dat plaatselijke leiders voorop liepen bij het voldoen aan door Duitsers uitgevaardigde voorschriften. Eerlijkheidshalve dient daarbij te worden vermeld, dat deze ook een veel groter risico liepen dan de anderen. De Duitsers hadden de gewoonte om plaatselijke leiders te arresteren als gijzelaars of als vergelding voor plaatselijk ondervonden weerstand, verzet of sabotage.
Een arrestatie kon van korte duur zijn, zoals bij Kees van Gils en Toon Jansens, maar ze kon evengoed leiden tot jarenlang verblijf in een concentratiekamp en/of tot de dood.
INHOUDSOPGAVE:
DIESSENSE PINKSTEREN 1940, Vrijdag 10 mei, Zaterdag 11 mei, Eerste Pinksterdag, Tweede Pinksterdag,
Uit militair oogpunt bekeken - KONINGINNEDAG 31 AUGUSTUS 1941 -
DE NEDERLANDSE UNIE -
DE LANDSTAND
- WINTERHULP - DE-APRIL-MEI-STAKING 1943 - DE KLOKKENROOF -
ANDERE MAATREGELEN - DE MELKSTAKING - NA DE STAKING - INLEVERING VAN RADIO'S  -
ONDERDUIKERS, Hoe het begon, De landelijke organisatie voor onderduikers,
De onderduikers bepaalden mede het dorpsbeeld - DE INVAL IN ''UIT EN THUIS'' , De aanleiding,
De inval, De gevolgen - ZWARTE HANDEL-ZWARTE WANDEL - De oorzaak, Zwarte uitvoer naar België,
Boeren woekeraars, Zwarte wandel - DUITSE INKWARTIERING - DE ARBEIDSDIENST -
BURGEMEESTER TIMMERMANS - VORMING VAN EEN K.P.-KERN - DOLLE DINSDAG -
DE ORDE DIENST - HOE LANG NOG .........? - DE BEVRIJDING, Voorboden, Diessens Zwartste dag,
Vijf weken frontgebied, De vrijheid herwonnen - BESLUIT
Toon van Nieuwkuijk
is Sicherheitspolizei und Sicherheitzdienst
is Ordnungspolizei, ook wel “Grüne polizei”
genoemd naar de kleur van hun uniform.
Deze laatste niet te verwarren met de O.D.
(orde dienst), die ondergronds en dus tegen
de Duitsers werkte.
80 personen werden als gevolg van de veroordelingen
door stands-gerechten gefusilleerd, 95 werden op
straat doodgeschoten, meer dan vierhonderd werden
ernstig gewond. Het aantal gearresteerden bedroeg
alleen in Noord-Brabant al 700.
(Dr.L. de Jong “Het koninkrijk der Nederlanden in de
tweede wereldoorlog”).
(x)   S.S.
(xx) O.D.




(xxx)
DIESSENSE PINKSTEREN 1940

Vrijdag 10 mei

“t Was zover! Daar was
geen twijfel over! Die herrie in de lucht 's morgens al voor het licht was, dat was niet gewoon. Zoveel vliegmachines en zo laag! En de berichten op de radio: “Parachutisten geland”. Dat betekende oorlog  en niks anders. Ruim een half jaar tevoren waren de Duitsers Polen binnen gevallen. Frankrijk en Engeland hadden toen de Duitsers den oorlog verklaard. Dat het op zeker ogenblik mis zou gaan was toen wel te begrijpen.
Op 28 augustus 1939 begon op de middag ineens de grote klok te luiden. We dachten: “Wat is er nou te doen?” Als er iemand dood was, luidden alle drie de klokken, dus dat kon het niet zijn. De reden werd al gauw doorverteld. En het was ook te lezen op grote plakkaten, die aangeplakt waren aan 't Gebooi en op andere plaatsen:  “Algemene Mobilisatie”. In 1938 toen Tsjecho-Slowakije ten prooi viel aan de Duitsers was er een voormobilisatie afgekondigd. De soldaten die toen opgeroepen waren, waren nog steeds in dienst. Maar nou moesten er nog veel meer. In Diessen waren het er ongeveer 40. Kort daarop moesten alle paarden worden gemonsterd, want die werden ook gemobiliseerd. Ene hoge militair was ervoor naar Diessen gekomen. Ene ritmeester, denk ik,want die doen toch zoiets. Hij had in ieder geval geen gewoon soldatenpak aan, geen poetjes, maar leren rijlaarzen en een zweepke in zijn hand. Zo stond hij daar, alleen, in het midden van een kring, terwijl hij zenuwachtig mee z'n leren zweepke op zijn leren kuiten tikte. De zware Belgische paarden sjokten in een halve cirkel voor hem langs, terwijl in een wijdere kring veel Diessenaren het ongewone gebeuren volgden. En de boeren waren natuurlijk benieuwd of er hun paard bij zou zijn. Van de ene kant was het een uitverkiezing, een compliment voor de kwaliteit van het paard en dat sloeg natuurlijk ten dele terug op deneigenaar. Van de andere kant moeste maar afwachten  wat ge er voor uitbetaald kreeg, en of ge wel gauw aan een ander zoudt kunnen komen. Er waren toen nog veel paarden in Diessen, elke boer had er wel een of twee. Deritmeester, of wat hij dan ook was, zei weinig. Hij keek maar naar de paardenbenen en wees af en toe met z'n zweepke een paard aan, dat uit de rij moest. Het waren er maar enkele, die goed genoeg waren. Die werden direct in een veewagen gestouwd en meegenomen.
De soldaten waren toen al in de Peel of aan de Maas of de Grebbe of ergens anders. Af en toe kwamen ze een paar dagen mee verlof. En soms, als “t goed weer was, sprongen we 's zondagsmorgens na de eerste mis op de fiets en gingen ze opzoeken. In Berlicum bijvoorbeeld of in Boekel. Boekel was van Diessen uit 50 kilometers, een hele trap op en neer. Ja, dat het niet bij mobilisatie zou blijven was wel te denken. Ofschoon........ ge blijft hopen, dat ge den dans zult ontspringen.
Maar als ge de krant bijhield, dan was 't toch wel duidelijk. En in de winter kregen veel mensen de krant. De boeren hadden dan ook de tijd om hem te lezen. 's Zomers niet, dan sjouwden ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. En daarom zeiden ze in het voorjaar het abonnement op voor een maand of zes. 's Zomers lazen in Diessen niet veel mensen de krant. De Pastoor, den Bovenmeester en Sik van Dijck, die kregen de Maasbode en die kregen hem natuurlijk elke dag. Of ze hem ook lazen, dat weet ik natuurlijk niet. Maar voor de rest, 's zomers?? Nee hoor! In 't dorp enkele en ene verwaaide in Baarschot en op de Haghorst en daar bleef 't bij. Ge had toen twee streek kranten, Artse Krant en 't Nieuwsblad. En den Boerenbond, die kende natuurlijk iedereen en elke week. Ook veel burgers, want die waren er ook bij den Boerenbond.
En nou, op den tiende mei, was 't dan zover en ieder verwerkte dat op zijn eigen manier. De moeders van de soldaten, die zaten natuurlijk over d'r kinderen in. Ze dachten: “Och God, onze Jan of Piet! ”Anderen probeerden gauw nog wat rijst te hamsteren en groene zeep. Sommigen gingen gewoon naar den akker, want het werk moet doorgaan. Maar veel kwam daar niet van terecht, daarvoor was iedereen te veel uit zijn gewone doen. Het was schoon weer, deze meidagen, volop zon, maar genieten konden we daar onder deze omstandigheden niet van. We stonden in groepkes bij elkaar en bepraatten het nieuws, dat er niet was. Want de radio liet niet veel los. 's Middags vielen er bommen in Tilburg, daar hoorden we wel 't een en 't ander van. Maar in Diessen bleef ’t rustig.
Zaterdag 11 mei

Dat duurde zo tot 's zaterdagsmiddags. Toen kwam, mee ene hoop herrie, “n gemotoriseerd en gepantserd Frans legeronderdeel Diessen in. 't Was in éne ruk van Noord-Frankrijk naar hier gekomen. Nou ge begrijpt, dat die soldaten doodmoe waren en helemaal onder het stof zaten. De meesten van ons verstonden geen letter van wat ze zeiden. Maar ge behoeft geen Frans te kennen, om te weten, dat mensen na zo'n tocht behoefte hebben aan iets hartigs. Dus gaven we ze koffie of soep of wat er toevallig aan eten klaar was. En we lieten ze d'r eigen wat opknappen. Daar waren ze erg blij mee. Veel tijd verdeden ze trouwens niet. Ze begonnen zich al gauw op te stellen achter huizen en heggen mee d'r wapens gericht op de brug over de stroom aan de Beerseweg. Tegen de stroom aan legden ze landmijnen, aan 's weerskanten van de weg tot een eind het veld in. Dat merkten we overigens pas toen de Duitsers er d'r neus gestoten hadden.

In Baarschot, in Den Hertgang, namen ook Fransen stellingen in. Deze waren echter van Lage-Mierde en Esbeek uit daar gekomen. Ze hadden alleen lichte wapens, ten dele opgesteld in lichte tanks of op motoren met zijspan. Er was praat van, dat in Beek ook artillerie was, maar daar hebben we niks van gemerkt. Als 't oorlog is en soldaten zijn zo bezig, dan weet je wel hoe laat het is. Maar toch drong het niet tot ons door, dat het hier in de kortste keren op vechten uit kon draaien. Er waren er wel, die zeiden, dat de Duitsers al in Oirschot voor het kanaal stonden. Maar ja, de radio zei er niets van en er waren zoveel geruchten. In anderhalve dag hier,dat zou te gek zijn, onze soldaten waren er ook nog!

Maar 's zaterdagsavonds fietste de burgemeester (er waren in die tijd niet veel mensen die een auto hadden) naar de pastorie om aan te raden met Pinksteren geen kerkdiensten te houden. Hij had bericht gekregen, dat de Duitsers al in St. Oedenrode waren. Het zou helemaal geen mirakel zijn als ze in de loop van zondag in Diessen zouden komen. Wat ge dan te zien  zoudt krijgen viel niet te voorspellen. Maar met die Fransen hier in stelling beloofde 't niet veel goeds.
Eerste Pinksterdag, zondag 12 mei 1940

Eerste Pinksterdag was het altijd druk in Diessen. Van oudsher was dit een feestdag in onze parochie. Volgens traditie was er dan 's middags een plechtig Lof, waar de meeste in Diessen geboren en getogen vrouwen mee d'r kleintjes naar toe kwamen, ook al woonden ze al lang niet meer hier. Dat had twee redenen. De ene was de kinderzegen, die na het Lof werd gegeven in de zwaar met wierook bezwangerde kerk, waarin het geluid van orgel, koor en kindergeschrei nog naklonk. De andere was de “monstering” van de kleintjes. Want geen moeder zou de kans voorbij laten gaan om haar in d'r schoonste kleren gestoken kinderen te laten bewonderen door vriendinnen en kennissen. Maar Diessense Pinksteren 1940 zou niet traditioneel verlopen.

In het klooster hadden ze de ongunstige berichten ook gehoord. In verband daarmee werd de Mis 's morgens om half vijf gedaan. Daarna brachten ze de zieken en gebrekkige zusters, die boven waren gehuisvest naar beneden en gaven ze gelijkvloers een wat beschutte plaats. Daar waren ze enkele uren mee bezig.

Tegen de middag gaf de kommandant van de Franse troepen aan de bewoners van de kom de raad te evacueren naar de omgeving. Nogal wat mensen, die op het Laar woonden gaven hieraan gehoor.  We zagen ze enige tijd later in de richting Turkaa of Baarschot trekken met hun voornaamste spullen op een fiets of handkar.
‘t Was ongeveer half vier toen de Fransen, die de uitkijkpost op de toren bezetten, twee schoten losten. Waarschuwingsschoten dachten we. En jawel hoor. Een paar minuten later zagen we een Duitse gevechtswagen over de Beerseweg de stroom naderen, waarvan de overgang door het opblazen van de brug was versperd. De Fransen schoten er van verschillende kanten op. Hij ging terug. Daarna werd er van verre afstand op de kerk en toren geschoten. Tegelijk begonnen stoot-troepen een omtrekkende beweging te maken van de ene kant in de richting De Rijt en van de andere kant in de richting van het Hoekske.
Tweede Pinksterdag, maandag 13 Mei

Oorlog is een bedrijf, dat ook 's nachts zo goed mogelijk doorgaat. Voorbij marcherende soldaten, geluid van motoren, geschreeuw, alle vormen van herrie mengen zich dooreen, zodat er van slapen  die nacht niet veel was gekomen. De nieuwe dag bood dezelfde aanblik, Duitsers overal, wel andere, maar nog evenveel.

In de voormiddag kwam er een bij ons aan. Er wiebelde een geëmailleerde plaat om zijn hals. “Webel”, stond erop “Feldwebel”. Hij zocht jonge mannen om de gesneuvelde Fransen te begraven. Ik een schop gepakt en mee. In rijen van twee trokken we met geschouderde schoppen achter de feldwebel aan door het zonovergoten dorp, dat van de moffen vergeven was.
Ze lagen er nog,zoals ze gestorven waren, achter een heg, in een sloot, of gevallen in den boomgaard, terwijl ze vluchtten. Het was warm. De aarde dampte en de geur ervan mengde zich met die van jong groen en van geronnen bloed. We groeven een kuil naast hun lichaam. Sommigen herkenden we. We zagen ze voor ons, druk gebarend, hun handen vooruitstekend. De vingers trilden niet. Ze waren niet bang, wilden ze zeggen. Nu lagen ze hier. Onbeweeglijk. De feldwebel nam hun eigendommen en herkenningsplaatjes en schreef alles secuur op. We legden ze in de kuil met 'n stuk van hun uniform over hun gezicht. Zo begroeven we ze. 't Waren er elf. We dachten: zo ver van huis en nog zo jong........... en daar bleef het bij.
Enkele weken later zijn ze opgegraven en kregen ze een gezamenlijk graf op het kerkhof.

En ondertussen ging de doortocht van de Duitsers onafgebroken door. Ze kwamen, in 3 colonne's naast elkaar, van de Beerzen af en gingen door in de richting Beek. Voertuigen, tanks, geschut, infanterie, motoren, aan een stuk door, die dagen en nachten lang. Er scheen gewoon geen eind aan te komen.

Versuft zagen we dat allemaal gebeuren, volkomen overdonderd door alles wat we in een paar dagen hadden moeten verwerken. Diessen en omgeving was ons leefgebied. Wat verder gebeurde in het buitenland, kenden de meesten van ons niet uit eigen ervaring. Onze internationale ervaring beperkte zich tot een bedevaart naar Scherpenheuvel, Meerseldreef of Kevelaar. En nou...... binnen drie dagen herbergden we Fransen en Duitsers. Daarbij kwam de onzekerheid over het lot van onze soldaten.

Maar het leven gaat verder. In de volgende dagen kwam hier en daar al een soldaat thuis, die achter de linies geraakt en burgerkleding had aangetrokken
En toen het Nederlandse leger capituleerde waren de soldaten zo thuis. Behalve de naar Duitsland getransporteerde krijgsgevangenen. Die moesten nog tot half juni wachten voor ze werden vrijgelaten.
Jan de Vries was de enige Diessense soldaat, die niet levend terugkwam. Hij was ingedeeld bij het eerste eskadron pantserwagens. Op 10 mei landden Duitse parachutisten vroeg bij het vliegveld Ypenburg. Het eskadron kreeg opdracht deze lui uit te schakelen. Bij pogingen daartoe werd Jan gewond door granaatscherven. Hij wilde doorvechten en daarom niet verbonden worden. Het gevolg was een zware bloedvergiftiging, waaraan hij op 26 mei in een ziekenhuis te Den Haag stierf.
Hij werd in Diessen begraven in de buurt van zijn Franse kameraden. Na de bevrijding werd zijn inzet gewaardeerd door het toekennen van de Bronzen Leeuw wegens ”het bedrijven van moedige en beleidsvolle daden bij het verkennen van stellingen onder hevig vijandelijk vuur”.

Gedurende de oorlogsjaren werden de gesneuvelden telkenjare herdacht door de Kon.
Marechaussee. De Beekse Brigade legde op 10 mei in alle vroegte kransen op de graven.

Er sneuvelde één Duitser  bij de gevechten op 12 mei. Hij werd door de Duitsers zelf begraven in het veld in de buurt van de boerderij van Driekske Kroot. Later is het lichaam opgegraven en ergens anders heen gebracht.
Als ge de Diessense mensen moest geloven zijn er veel meer gesneuveld. Maar dat is nooit gebleken.
Uit militair oogpunt bekeken

Hoe wordt over de gevechten in Diessen geoordeeld van militaire zijde? Uit de informatie, welke mij ter beschikking staat, blikt het volgende.
De inschakeling van de Fransen gebeurde zo maar niet lukraak. Het vormde een onderdeel van een plan tot beveiliging van de haven van Antwerpen. Daartoe werd in Noord-West Frankrijk het goed uitgeruste en geoefende 7e Franse leger onder Generaal Giraud ter beschikking gehouden. Na een eventuele aanval van de Duitsers op België zou dit leger zo snel mogelijk oprukken en zich in een wijde boog om Antwerpen opstellen. Wanneer ook Nederland bij de strijd zou worden betrokken zou zo mogelijk tot Tilburg, maar in elk geval tot Breda worden door getrokken.
      (Ze hielden zich strikt aan deze opdracht. De commandant van de Nederlandse troepen in Noord Brabant probeerde
      herhaaldelijk (hen) over te halen door te trekken tot de Peel
      Hij pleitte dit ten laatste bij de bevelvoerend generaal Picard, die zijn commandopost
      had in Oost-Malle. Echter zonder resultaat).
Het 4e Regiment van de “Dragon Portes”vormde een onderdeel van dit leger. Het was begin mei gelegerd bij St. Omer, ten westen van Lille op ongeveer 25 km van de Belgische grens.
Op 10 mei trok het in 2 verschillende routes volgende-colonne's de Belgische grens over en bereikte zonder problemen Dendermonde. Om 6 uur 's avonds werd daar de brug over de Schelde dooreen Duits bombardement vernield. Het gevolg was, dat de beide colonne's, die zich op dit uur hier bij elkaar voegden, een gewijzigde route moesten nemen. Ze trokken 's nachts door en bereikten in de ochtend Poppel. Daar kregen de drie bataljons hun opdrachten.
Het 1e zou in reserve worden gehouden in de omgeving van Turnhout.
Het 2e zou zich opstellen in de Voort (H'beek), Diessen, Esbeek, Welleseind (Lage Mierde),
Het 3e in Lage en Hooge Mierde. Op deze wijze zou het gebied tussen Tilburg en Reusel onder controle worden gebracht. Nadat de taken waren verdeeld trokken de bataljons naar de hen toegewezen gebieden om stellingen in te nemen.

Om 12 mei omstreeks half twaalf breken gevechten uit ten Oosten van Lage Mierde (omgeving Mispeleind). Duitse infanterie en motorrijders vallen aan. Waarschijnlijk zijn dit andere onderdelen dan die later op de dag Diessen zullen aanvallen. Mogelijk komen ze vanuit de richting Valkenswaard. Het gevecht zet zich de hele middag voort in de bossen. Vermoedelijk ook in den Hertgang. De Fransen houden stand. Later op de middag ontstaan er problemen als tussen de 2e en het 3e bataljon (bij Welleseind) Duitsers infiltreren. Het bataljon trekt in de avond onder zware verliezen terug achter het kanaal Turnhout-Hasselt.
Om half twaalf meldt een Nederlands officier aan de commandant van de Fransen in Diessen, dat vijandelijke gemotoriseerde detachementen zich in Oirschot bevinden en voorbereidingen treffen om in de richting Diessen op te rukken . Het zijn onderdelen van de S.S. Verfügungs-Division met aan het hoofd de S.S. -Standarte Grosz Deutschland.

De Standarte steekt op de Hoge Haghorst het Wilhelminakanaal over. (vreemd, dat in berichten van Diessenaren niets er op wijst, dat de aanvallende troepen van de Haghorst kwamen). Het bijbehorende Aufklärungsabteilung opereert zuidelijker (dus over de Beerseweg?). Het eerste treffen vindt plaats om ongeveer 4 uur. Het wordt ingezet door een Duitse mitrailleurauto. Deze trekt zich na de eerste kanonschoten (25 mm) van Franse zijde terug. Enkele minuten later verschijnt een Duitse tank bewapend met 77 mm kanonnen. Franse 25 mm kanonnen openen het vuur. Er is over en weer geschutsvuur. Andere Duitse tanks versterken de eerste. Ze hebben het voordeel goed gewapend te zijn en kunnen dwars door het beboste terrein optrekken. Toch dwingen de Frans 25 mm kanonnen respect af. De Duitse komen de stroom niet over. Jammer genoeg is ons anti-tank-geschut, door de overmacht van het vijandelijke vuur, na een half uur strijd vernietigd.
Voor de verdediging van het dorp zijn er nog slechts 4 mortieren en 2 motorpeletons over. De Duitsers, ronduit sterker in getal en middelen, voeren een groots opgezette omsingelingsmanoeuvre met behulp van springlading uit. De mortieren van 7,5 mm worden gebruikt tegen de soldaten te voet. Ondanks de overweldigende meerderheid handhaven de Fransen zich nog gedurende een uur. Vervolgens zijn ze genoodzaakt zich terug te trekken.
De terugtocht voltrekt zich van stap tot stap, van hindernis naar hindernis.
De onderdelen, welke te voet zijn worden beschermd door de motorpeletons. De Duitsers trekken zo snel op, de dat Brigade-Chef op hen kan schieten op een afstand van minder dan 15 meter. De numerieke overmacht bezorgt de Fransen enkele doden en gewonden en materiëel verlies. Het lukt echter de vijand tot staan te brengen bij de stroom 2 km ten westen van Diessen. De Fransenslagen er in de Duitsers daar tegen te houden tot het vallen van de avond. Het zal wel duidelijk zijn, dat het voorafgaande vooral geput werd uit Franse bron. De Duitsers zijn veel soberder in hun berichtgeving. Van 12 mei wordt verteld, dat de divisie opgerukt is van Lieshout over Henkenshagen (-St.Oedenrode), Oirschot, Hilvarenbeek, Goirle. Overal zijn de bruggen vernield en dat vertraagd de opmars zeer. In Diessen vindt een treffen plaats met 2 eskadrons van het 2e regiment Dragon Portes. De Franse verliezen zijn de Duitsers niet bekend. Ze maakten 15 krijgsgevangenen. De eigen verliezen bedroegen: 1 gesneuvelde, 3 gewonden.

In het Franse verslag wordt nog gewag gemaakt van de moeilijke nachtelijke terugtocht van het bataljon. Op de hielen gezeten door de Duitsers moesten ze voor een groot deel te voet door de bossen in de richting Turnhout. Na een mars van 40 km door de bossen bereikten ze in de ochtend van 13 mei de aangewezen verzamelplaats in de buurt van Oostmalle.
KONINGINNEDAG, 31 augustus 1941

Koninginnedag was voor den oorlog in Diessen 'n rustige dag. De schooljeugd was vrij. Op den toren en het raadhuis stak de vlag uit. 'n Paar ingezetenen haalden hun oranjespeldjes uit de mottenballen, staken 't op en brachten zo in geur en kleur hulde aan 't Oranjehuis. En verder was het 'n gewone werkdag.

'n Gewone werkdag, geen aandacht vestigen op Koninginnedag, dat vonden de Duitsers het prettigst. Geen schoolvrij, geen vlaggen, geen speldjes dus. Maar er zijn belhamels, die met de Duitse wensen niet altijd rekening wensen te houden................
In 1941 kwamen we op de avond voor Koninginnedag, dat was op 'n zaterdagavond op het kerkhof bij elkaar. We, dat waren Janus van Heerbeek, Gust de Vries, en ik, zei de gek. Het was in spertijd, ge mocht dus niet buiten zijn. Voorzichtig zijn, was de boodschap! Janus had kalk, Gust verf, ik had een emmer en een kwast.

We gingen over de Nieuwe Pad en kwamen zodoende naast de boerderij van 't klooster in de Molenstraat. Vandaar gingen we naar de meisjesschool, om precies te zijn, nog iets verder, naar de schans langs de pastorietuin. Dat was ons eerste doelwit. We waren net klaar toen er in de Molenstraat een fiets aankwam. Wij den berm in! De fietser stopt en bekeek ons werkstuk. 't Was Sjef Heuvel, 't waarnemend hoofd van de luchtbescherming. Hij keek en we zagen in den donkere avond de gedachten als schichten door z'n waarnemend hoofd flitsen. Als trouw vaderlander wilde hij spontaan in de handen klappen, maar hij onderdrukte deze neiging met kracht, want hij realiseerde zich plotsklaps het gevaar......... Hij zag het echte hoofd, den burgemeester, door de Duitsers al de voet dwars gezeten de pastoor gebonden aan de linden. Toen hij zover was, herinnerde hij zich de klachten van zijn vaste kern, zijn luchtbeschermers, Toontje Bie en Brord de Koster, die steen en been klaagden over het geestdodende wachten, waaruit hun werk vrijwel volledig bestond. Zijn besluit was genomen. Doelbewust sprong hij weer op zijn fiets en reed weg.

Voor ons was de weg toen ook vrij en gingen we langs sluipwegen naar de Beekseweg en nog andere plaatsen, want de kalk en de verf waren nog niet op. Toen we na enige tijd klaar waren gingen we de weg terug, die we gekomen waren.
Toontje en Brord waren druk bezig met schuurpoeder van een onbekend merk de muur af te schuren. Dat viel niet mee, want 't was echt vooroorlogse kwaliteit kalk die Janus secuur in de goeie verhouding had gemengd met 'n snufje zout en water uit de Sint Willibrordus put bij de kerk. Er zat niets anders op dan wachten in 't veld tot ze uitgeschrobt waren.

Toen het zover was en ze weer waren gaan wachten, hebben we het nog een keer overgedaan, en met evenveel zorg dan den eerste keer, hoewel......... de N van NSB had zorgvuldiger gekund. 's Morgens na de eerste stilmis (die was in die tijd om half zeven), 't was immers zondag, waren er enkelen, die de “verknochtheid aan het Oranjehuis”zo gauw mogelijk door “neutraliteit”probeerden te vervangen. Ze spraken van een roekeloze, onzinnige en onverantwoorde streek! Wellicht hadden ze gelijk. Van den andere kant deed het velen goed op zo'n manier 't gevoel kwijt te kunnen van: al moet het ook in 't geheim, helemaal knechten kunnen jullie moffen, ons toch nooit! De weerstand werd er door aangewakkerd. Gevolgen heeft het verder niet gehad.
DE NEDERLANDSE UNIE

Op de 10e mei brak d'n oorlog uit, op de 15e hadden we 'm verloren en op de 18e wees Hitler Seys-Inquart als onze commissaris aan. Op de 29 mei nam die 't burgerlijk gezag over en ene Duitse generaal Christiansen, 't militair gezag.
Wat kan er in 'n paar dagen veel veranderen.

Seys hield een schone toespraak, waarmee hij ons probeerde te lijmen. Hij beloofde van alles. Hij zei bijvoorbeeld, dat we zelf moesten weten of we met de Duitsers mee wilden doen bij het opbouwen van een nieuwe orde in Europa. Maar wat de gevolgen zouden zijn als we niet meededen, dat zei hij er niet bij.

Toch waren we blij mee z'n spiets. We geloofde wel niet, dat hij er zich aan zou houden, maar we dachten, als hij zo praat, dan zal het voorlopig nog wel meevallen en lang duurt den oorlog toch niet.

Dat was niet zo verstandig gedacht. Alle feiten wezen er immers op, dat het wel lang zou duren. Nederland en België waren binnen een paar dagen onder de voet gelopen. Het Engelse leger, dat in Noord-Frankrijk vocht, werd met weinig moeite verslagen. Een deel van de troepen kon zich nog net inschepen, maar al het militair materiaal bleef in Duinkerken op het strand. Met Frankrijk was het na 6 weken ook bekeken. Engeland bleef toen alleen over.
Amerika beloofde wel te helpen maar 't was toch zo klaar als een klontje, dat het jaren moest duren, voor ze samen zo ver waren, dat de Duitsers behoorlijk partij zouden kunnen geven, laat staan, dat ze ze zouden kunnen verslaan.
Ge snapt niet, dat wij, tenminste veel van ons, daar geen erg in hadden. Misschien waren we zo in beslag genomen door wat we graag wilden, dat we aan logisch denken niet toe kwamen. En over wat we graag wilden juinden we elkaar op, zoals in het voorjaar 1941 met dit rijmpje:
in maart roert Hitler met z’n staart
in april doet Churchill wat hij wil,
in mei zijn we allemaal weer vrij,
in juni regeert de Nederlandse Unie!
Ze werd in juli 1940 opgericht en we wieren er allemaal lid van. In één week 100.000, in 2 maanden 800.000 leden! Hoe kwam dat? Waren we het er zo mee eens? Och kom! De meesten van ons kenden haar programma niet eens (net zo min al dat voor de oorlog met de politieke partijen het geval was en het ook nu nog is). Hoe dan deze geweldige toeloop te verklaren, die in Diessen niet minder was dan elders?

Misschien bestond er bij vrijwel iedereen een grote angst voor wat de Duitse bezetting mee zou brengen,en we wilden tegen deze dreiging een dam opwerpen. Als eenling ging dat niet, maar met een grote hechte organisatie was er wellicht 'n kans...........  ….

We vergisten ons! Zolang de Unie zich zo onduidelijk opstelde, dat er niet uit viel op te maken of ze voor of tegen de Duitsers was, lieten ze haar partijen.
Invloed op de Duitsers heeft ze echter nooit gehad. Toen ze de inval in Rusland veroordeelde liep het af. In december 1941 werd ze verboden en werden haar bezittingen in beslag genomen.

Toen ze verboden werd was er in Diessen net de contributie geïnd. Het bestuur stelde zich op het standpunt, dat het best kon gebeuren, dat vergeten werd om de contributie af te dragen. Het enige dat ge daarvoor moest doen was, er niet meer aan denken. Zodoende herinnerde iemand zich een paar jaren naderhand pas toen er geld nodig was voor hulp aan onderduikers, dat er nog steeds een bedrag in de Uniepot zat. Het geld is toen hieraan besteed.
DE LANDSTAND

De boeren-en tuindersbond was ook voor den oorlog al een belangrijke organisatie, waar alle boeren en tuinders lid van waren. Ook veel burgers, die een stukse grond hadden waarop ze voor d'r eigen gerief groente en fruit teelde of die voor eigen gebruik een of twee varkens mestten, waren “bij den boerenbond”. Zo was 't althans in Diessen. De Duitsers waren niet zo blij met den Boerenbond, ze wilden naar een zogenaamde Landstand toe.
Om dat te bereiken stelden ze op 7 augustus 1941 de NSB-er Damave aan als landelijke commissaris van de R.K. Boeren-en tuindersbond. Deze haastte zich te verklaren, dat hij niet was gekomen om af te breken, maar om te zuiveren en op te bouwen. Hij zou van den Boerenbond 'n wagen maken, waarmee de boeren naar de Landstand konden rijden. De liefhebberij om met Damave mee te rijden was niet groot. De diocesane bonden trokken zich uit de organisatie terug en de landelijke secretaris trad af. De boerinnenbonden gedroegen zich overeenkomstig. Zo reed Damave alleen “in zijn karretje op de zand weg”. Geen nood! De Landstand kwam er toch! En bij die oprichting besliste Seys-Inquart, dat elke landbouwer, tuinder of visser, uit hoofde van zijn beroep lid was. Van hoog tot laag deed toen de boerenleider zijn intrede. Nationaal boerenleider werd NSB-boer Roskam, die provinciale leiders aanstelde. Zij kozen op hun beurt streek-en plaatselijke boerenleiders. Meestal werd een NSB-er tot vervulling van dit ambt geroepen. In plaatsen echter als Diessen, waar nog niemand tot het nationaal-socialisme was bekeerd, viel het niet mee om de leiderspost bezet te

krijgen.
Op de Haghorst woonde destijds de heer Huismans. Hij was een van de weinige boeren in Diessen, misschien wel de enige, die geen voornaam had. Althans waarvan je niet merkte, dat hij er wel een had. Mensen zonder voornaam waren er niet veel in Diessen. Den burgemeester, de pastoor, den dokter, de schoolmeesters en de schooljuffrouwen. Dan hadden ze wel ongeveer gehad. Mensen die, vooropgezet of niet, afstand hielden tussen d'r eigen en de gewone dorpelingen. Dat gold ook voor Huismans. Hij was geen brabander, hij praatte anders als wij, hij was ook meer ontwikkeld, hij was anders. Huismans werd aangezocht als boerenleider. Hij liet zich -naar men zegt, na lang tegenstribbelen overhalen. Dat hij een voorstander was van de “nieuwe orde”is nooit gebleken. Hij had een onderduiker in huis en hij waarschuwde mensen in de buurt, wanneer er kans bestond op gevaar door de Duitsers. Al was 't zonder enthousiasme, hij deed wat van een boerenleider werd verwacht. Hij hield wekelijks een paar uur zitting om landstandleden van dienst te zijn. Ze konden zich via hem van de steun van de machtige Landstand verzekeren. Een enkeling benutte de gelegenheid, meestal om genoegdoening te verkrijgen voor vermeend in het verleden aangedaan onrecht.
De heer Huismans had veel invloed, vooral op Haghorst. Hij heeft die niet misbruikt. Zijn houding heeft geen afbreuk gedaan aan het verzet van de Diessenaren tegen de Landstand. De leden van de Landstand ontvingen gratis een weekblad, dat vakblad heette, maar propagandablad was. In die tijd waren de meeste verboden en de dagbladen moesten, vanwege de papierschaarste, hun omvang beperken tot één vel per dag. Uiteraard was er voor dit blad volop papier beschikbaar. Voor een groot deel bestond de inhoud uit kritiek op den Boerenbond en zijn instellingen. De eerste paar maanden, dat het weekblad werd verspreid, werd het door de meeste ontvangers teruggestuurd. Als Harrie den Booy het blad in de brievenbus had gestopt of onder de voordeur had geschoven, was de waakhond nog niet uitgeblaft of ze hadden in veel gezinnen al “retour afzender”op denomslag geschreven. Als het even kon gaven ze het achter mekare weer met Harrie mee.
Voor de oorlog was het de gewoonte, dat boeren in de winter 1 of 2 en soms ook wel 3 zelfgemeste
varkens lieten slachten voor eigen gebruik. Ook de burgerij was daar niet vies van. Veel burgers mestten zelf een varken of kochten het slachtrijp bij den boer. Er werd dan een afspraak gemaakt met Janus de Laat of Wout Vugts en deze kwamen daarna alle handelingen verrichten, welke liggen tussen een levend varken en voor het gebruik gereed vlees of spek en reusel.
In de herfst van '42 werden alle huisslachtingen verboden. Na veel moeite kreeg de Landstand gedaan, dat het verbod een jaar werd uitgesteld. Alle belanghebbende profiteerden van het uitstel, maar de Landstand oogstte geen dank voor zijn bemoeiingen. 't Zal wel doorgestoken kaart zijn, zei iedereen, een propagandastunt voor de Landstand. 't Werd er niet beter op toen in 1943 alle leden contributie moesten betalen. De contributie bedroeg f.1,--per hectare voor landbouwers, en f.10,--of zelfs f.20,--voor tuinders. De post zou voor inning zorg dragen, tenminste dat was de bedoeling. Maar vrijwel iedereen weigerde toen Harrie den Booij met de kwitantie kwam. Na de nodige dreigementen kwam er dan 'n dwangbevel. Ook dit werd door de meeste geweigerd. Tenslotte kwam 'n landsambtenaar persoonlijk de kwitantie presenteren. De verzetsorganisaties voerden 'n felle actie tegen de contributiebetaling. Ook hier ter plaatse werd in woord en geschrift stelling genomen tegen betaling. De aanplakbiljetten, waarop tot weigering werd aangespoord, werden op de dag volgende op de nacht, waarin ze werden bevestigd afgescheurd door de koster op bevel van de pastoor. 'n Vreemd gedrag! We vroegen de pastoor naar zijn motieven. Hij had op de aanplakbiljetten gelezen: “Katholieken, Gij moogt de Landstand niet betalen”. Hij had echter in zijn archief een bisschoppelijke brief, waarin stond, dat het niet verboden was. Inderdaad, we hadden beter in plaats van “Katholieken”, “Nederlanders”kunnen zetten. Maar overigens is een aanplak-biljet geen bisschoppelijk schrijven en niemand zal het daar ook voor aanzien.
De pastoor was een der eerste betalers van de contributie, gevolgd door verschillende andere invloedrijke personen. De actie tegen betaling werd daardoor doorbroken. Tenslotte betaalde geleidelijk aan iedereen.
WINTERHULP

Stelselmatig vervingen de Duitsers de bestaande maatschappelijke instellingen door andere meer op de nieuwe orde gebaseerde. In het najaar van 1940 werd de  “Winterhulp” ingesteld. De materiële verzorging van alle noodlijdende Nederlanders zou voortaan door Winterhulp worden behartigd. Bestaande charitatieve verenigingen en stichtingen hadden toen geen taak mee, werden overbodig verklaard en opgeheven. Hun bezit verviel aan Winterhulp.
In Diessen kende men geen St. Elisabeths-vereniging of een andere club, welke uitsluitend liefdadigheid ten doel had. Er viel dus ook niets op te heffen.
Aanvankelijk boekten de op vaste tijden gehouden winterhulp collectes nog wel succes. Geleidelijk  aan kwamen er geruchten, dat de NSB-ers bij de verdeling werden voorgetrokken. Toen waren er geen collectanten meer te vinden. De burgemeester schreef daarna een aantal jonge mensen aan, die om de beurt een wijk kregen aangewezen om er te collecteren. De collecte werd dan gehouden, maar de manier waarop het gebeurde, garandeerde dat er weinig werd opgehaald. Zo in de geest van: “Ik moet komen collecteren voor Winterhulp. Wilde iets geven? Nee, zeker! Nou, houdoe dan!” Naderhand liet de burgemeester nog een circulaire rondbrengen, waarin stond, dat de mensen zeker moesten geven, want dat er veel uitgekeerd werd door Winterhulp. In Diessen werd er zelfs meer uitgekeerd, dan de collectes opbrachten. Nou, toen begreep iedere dorpeling wel, dat het er dan met de opbrengst van de collectes wel zeer triest voor moest staan.
Toen in 1943 de NSB-burgemeester zelf met de collectebus de huizen afging werd de opbrengst iets hoger, maar doorslaggevend was dat ook nie.
Bij de bevrijding bleef er alleen een aantal collectebussen over en een hoop speldjes. Op de raadhuiszolder hield dit stilleven nog jaren lang de herinnering levend aan het winterhulp fiasco.
DE APRIL - MEI - STAKING 1943

Er moet nogal wat gebeuren voor dat de boeren melk in de sloot gieten of opvoeren aan de varkens. Daar komen ze niet gemakkelijk toe, niet alleen omdat de melk dan geen of onvoldoende geld opbrengt, maar ook omdat ze het doodzonde vinden om zo'n kostelijk voedsel op deze manier te verspillen. In den oorlog gold dat dubbel, omdat toen het voedsel zo schaars was.
In de eerste oorlogsjaren waren verreweg de meeste levensmiddelen al op de bon. Ook melk. Vanaf september 1942 viel ook taptemelk onder de distributie, volle melk werd toen nog alleen clandestien verkocht. Taptemelk was afgeroomde melk, waarschijnlijk van een nog lager vetgehalte dan de tegenwoordig zo aangeprezen halvamel. Als desondanks de boeren eind april 1943 besloten de melk niet af te leveren aan de fabriek, maar ze desnoods in de sloot te laten lopen, moet hen wel veel dwars gezeten hebben.

De directe aanleiding was de proclamatie van generaal Christiansen, de opperbevelhebber van de  Duitse Weermacht in Nederland, inhoudende dat alle leden van het voormalig Nederlandse leger opnieuw in krijgsgevangenschap zouden worden weggevoerd. In mei 1942 was deze maatregel al genomen ten aanzien van de beroepsofficieren, nu werden alle manschappen opgeroepen zich te melden. Het ging om plm 300.000 Nederlanders, waarvan er ongeveer 40 in Diessen woonden. Dit was reden genoeg om tot aktie over te gaan. Toch zal het klimaat voor de spontane en vrij algemene stakingen, welke er het gevolg van waren, ontstaan zijn door meerdere oorzaken.

Het leven in Nederland werd steeds onaangenamer. Van dag tot dag kwamen er nieuwe verordeningen, welke evenzo vele beperkingen betekenden. De levensmiddelenschaarste is al genoemd. De gevolgen ervan werden dagelijks ervaren en grepen diep in het levenspatroon. Het gebod tot het inleveren van koper was er onbelangrijk bij. Maar ook dit droeg bij tot de dwang, waaronder 3 dagen vóór de inval van de Duitsers in Rusland. Het resultaat van de inzameling in Diessen was te zien in een hoek van het Patronaat, waar een armzalige hoop spullen was opgeslagen, welke min of meer met koper te maken hadden. Omdat het voor de vijand altijd te veel was, hebben we het beste ervan verdonkeremaand. Het restant leek meer op afgedankte spullen bijeengebracht op het einde van de voorjaarsschoonmaak dan op wat anders.
DE KLOKKENROOF

Van veel meer betekenis en emotioneel ook veel moeilijker te verwerken was de diefstal van de klokken uit de toren. Hiervoor leende zich een Nederlands bedrijf in ruil voor een flinke bom duiten.
In Diessen kwamen de dieven op een ochtend in januari 1943. Op die dag hoorden we de klokken voor de laatste maal. We waren ons ervan bewust, dat ze ruim 120 jaren het dagelijks ritme in het dorpsleven mee hadden bepaald en luister bijgezet aan uitingen van vreugde, zowel als van verdriet.
Machteloos moesten we toezien hoe ze één voor één uit de toren werden gehaald. Ze bleven tot 9 februari op het weitje bij de toren staan, lang genoeg om ze laten onderduiken. We hebben overwogen er tenminste een van weg te werken. Ze waren echter zo zwaar, dat je dit karwei alleen kon klaren, wanneer er nogal wat mensen bij betrokken werden. Het risico, dat het uit zou lekken, werd uiteraard veel groter daar door. Tevens moest je de kans op represailles betrekken bij de beslissing. Om deze redenen hebben we er van afgezien.
Overigens was het waarschijnlijk niet de eerste keer, dat het brons van de klokken werd omgesmeed
tot wapentuig. Dit valt af te leiden uit de omschrijving op de geroofde klokken, waarvan we (dank zij Gust de Vries) hier de tekst kunnen plaatsen.  Werden de klokken in de Franse tijd ook geroofd?

ANDERE MAATREGELEN

Begin 1943 kwam ook de verordening, die eiste, dat alle artsen zich zouden aansluiten bij een zogenaamde artsenkamer, terwijl de studenten werden verplicht een loyaliteitsverklaring jegens de bezetter te tekenen. Over de instelling van de Landstand schreef ik reeds eerder. Het weg brengen van Joden ging onafgebroken door.
Tenslotte werd de jacht op arbeiders voor Duitsland uitgebreid tot alle mannen van 18 tot 35 jaar. Het kwam er op neer, dat verreweg de  meeste gezinnen rechtstreeks bij deze maatregel betrokken waren, omdat ze van toepassing waren op een of meer gezinsleden.

Sommige maatregelen vloeiden voort uit de voor Duitsland ongunstige ontwikkeling van de oorlog. Zo was het opnieuw in krijgsgevangenschap voeren van het Nederlandse leger een gevolg van de vrees voor een invasie vanuit Engeland. Het risico, dat bij een invasie de geallieerden hun troepen zouden kunnen versterken met geoefende Nederlandse militairen mocht niet worden genomen. Aan het Russische front ging het slecht en in Afrika waren de Duitsers op de terugtocht. De slagzin: “Duitsland wint voor Europa op alle fronten” werd een aanfluiting.
De ommekeer in de oorlog was een feit.
DE MELKSTAKING

Zo was de situatie toen op 29 april 1943 de proclamatie van Christiansen werd afgekondigd. Toen was de maat zo vol, dat ze overliep. Herhaaldelijk hadden we ons gebukt, nu strekten we ons en grepen naar ons enige wapen: De staking.
Velen hoopten daarbij op hulp uit Engeland. Naar hun mening was de tijd rijp voor de vorming van een tweede front in Europa in verband met het hier weghalen van de Duitse troepen ter opvulling van de gaten welke door verliezen in het Oosten waren ontstaan.
In Diessen werd reeds op vrijdagavond 29 april door meerdere boeren besloten in de komende dagen geen melk meer te leveren. En er werd niet geleverd. De wagens, die de melk moesten ophalen, reden wel, maar een half uur vroeger dan gewoonlijk en de voerlui dachten niet aan wachten. Dat was een goede manier om eventuele twijfelaars over de moeilijke beslissing heen te helpen. Dit was overigens overbodig, want slechts zeer weinigen wilden leveren.
Dit duurde tot maandag 3 mei. In fabrieken  en werkplaatsen in de steden verliep toen de staking door 't ingrijpen van de S.S. (x) en van de O.D. (xx). Deze joegen in overvalwagens door de stad en schoten bij de kleinste samenscholing. Hierbij en als gevolg van veroordelingen door speciaal ingestelde stand-gerechten werden een aantal  stakers dood geschoten. (xxx) Op maandagmiddag besloten de Diessense boeren 's anderendaags de levering te hervatten. Op een enkele uitzondering na gebeurde dat ook. Na een paar dagen was de levering weer normaal.

Het besluit van maandagmiddag voorkwam de gevangenneming niet van Kees van Gils en Toon Jansens, die in de nacht van maandag op dinsdag plaats vond. Dit had wel gekund. De burgemeesters hadden opdracht gekregen voorzitter en secretaris van de opgeheven Jonge Boerenstand te arresteren, teneinde de staking te breken.
Een aantal Edelachtbaren, dat met de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken contact opnam en mededeelde, dat de staking al aan 't verlopen was, kreeg te horen dat de arrestatie
achterwege kon worden gelaten wanneer op dinsdag de levering van melk normaal zou plaatsvinden. Of burgemeester Voets niet de moeite heeft genomen op hoger niveau na te gaan, welke mogelijkheden er waren om de arrestatie te voorkomen, is niet bekend. Vele Diessenaren hebben zich wel afgevraagd, waarom hij heeft nagelaten op een of andere wijze een seintje te geven aan Kees en Toon. Dat was met een zeer gering risico goed te organiseren geweest. Hij had zich dan nog -zoals hij nu gedaan heeft -samen met twee marechaussees naar het huis van de familie van Gils en daarna naar dat van de familie Jansens kunnen begeven.
Wellicht waren Kees en Toon dan niet thuis geweest. Nu werden ze gearresteerd naar de Marechausseekazerne te Hilvarenbeek gebracht en de volgende dag vervoerd naar Vught naar een doorgangskamp voor concentratiekampen. Na een echte kampbehandeling werden ze enkele dagen later vrij gelaten.

De Diessenaren reageerden op deze arrestatie op een voor hen vanzelfsprekende manier. Op 4, 5 en 6 mei werd in de volle kerk de rozenkrans gebeden om hun vrijheid te bewerkstelligen. Op 7, 8 en 9 mei werd met dezelfde bedoeling een voetbedevaart georganiseerd naar de Oirschotse kapel. Wie het initiatief daartoe genomen heeft is niet bekend, maar wat doet er dat ook toe. Bij het eerste huis vaneen buurt werd een briefje afgegeven. Daar stond op, dat er een bedevaart werd gehouden voor
“de bekende intentie”en plaats, dag en uur van vertrek. Deze briefjes vlogen rond, En in de avonduren trok een onafzienbare rij mannen en vrouwen, jonge en oudere, lopend over den Oirschotse Dijk en langs de Basterhoeve naar Onze Lieve Vrouw van den Heilige Eik, vertrouwvol biddend op uitkomst. Dat er in een beperkt aantal jaren in de geloofsbeleving geweldig veel kan veranderen hebben we gemerkt. Maar voor een dergelijk bewijs van geloof en/of van gemeenschapsgeest neem ik nog steeds diep mijn pet af.
Omschrijving: grote klok     Voorheen werd ik gedood
                                     Nu word ik weer herboren
                                     Door toedoen van de schout
                                     en van de asseoren

                   Middelklok     Door overmagt gescheurd
                                     Kon ik geen klank meer geven
                                     aan 't lieffelijk dorpsbestuur
                                     Bedankt mijn taal 't herleven

                   Kleine klok    Door 't stemmig zoet geluid
                                     dat men in mij bevin
                                     Vorm ik met d'andere twee
                                     de grote ters en quint.

                   Op alle drie   A:1: Lombaerts x I: Kouwenbergh
                                     x N: van Dijck x Anno 1821.